Waterveiligheid

Strijd tegen het water

Nederland heeft reeds vele eeuwen leren omgaan met het beschermen van het land tegen overstromingen.  Na het in cultuur brengen van  de klei – en veengronden in de Rijn Delta is het maaiveld door inklinking sterk gedaald ( soms 3 - 4 meter) en moest het land langs de grote rivieren en in het Noordwestelijk kustgebied beschermd worden tegen overstromingen. In het rivierengebied gebeurde dat door de naast de rivier aanwezige zandruggen met elkaar te verbinden en in de Kuststreek door op aangeslibde gronden  wallen op te werpen. Deze eerste dijkenbouw dateert al vanaf ca. 1200. Na de uitvinding van de watermolen en nog later het stoomgemaal zijn ook vele plassen in het klei- en veengebied drooggelegd ( droogmakerijen) en door boezemkades beschermd tegen overstromingen uit het aangrenzende hoge water. De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het aanleggen en onderhoud van de dijken en  kades werd bij de waterschappen en polders neergelegd. ( “Wie het water deert, die het water keert”). Waterschappen en Polders zijn daarmee hele oude Publiek Rechtelijke Lichamen.

Maar in de vele eeuwen is de strijd tegen het water ook vaak verloren. Geregeld zijn de signalen over slechte onderhoudssituaties genegeerd. Vaak zijn pas na een ramp nieuwe voorschriften en normen geformuleerd en is de wetgeving aangepast. Ook voor de ramp van 1953 in Zeeland en Zuid- Holland geldt dat eerdere signalen uit de dertiger jaren niet verder zijn uitgewerkt. De Tweede Wereldoorlog heeft daar natuurlijk wel grote invloed op gehad. Bij het weer in cultuur brengen van de overstroomde gronden na 1953 heeft de “Heidemij” overigens veel werk verricht.

Ga naar project dijken