Project Glastuinbouw

  • Open de map Heidemij en Glastuinbouw

    Een momentje...

    Bladerend door gedenkboeken, die door Heidemij en Arcadis werden uitgegeven ter gelegenheid van diverse bedrijfsjubilea (Driekwart Eeuw, Voeten in de Aarde e.d.) kom je maar zelden een verwijzing naar (glas)tuinbouw tegen. Een teken dat deze vorm van activiteit niet echt tot de core-business van het bedrijf behoorde. Wat er op dit gebied plaats vond, bleef hoofdzakelijk beperkt tot Zuid-Holland en was tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw een zaak van bouwrijp maken van gronden voor kassenbouw. Daaraan werden als enige eisen gesteld dat het een rechthoekig, vlak terrein moest worden en dat er sloten omheen kwamen waarop de kassen konden afwateren, de drainage kon lozen en waaruit sproeiwater kon worden getapt.

    In diezelfde jaren zestig begon echter het besef door te dringen dat het stichten van glastuinbouwcomplexen invloed had op de waterhuishouding van polders. Kassen moesten worden beschouwd als verhard oppervlak dat, evenals stedelijk gebied, regenbuien onmiddellijk tot afvoer laat komen. Het eerst is dit onderkend door de directeur van de veiling in Roelofarendsveen, tevens voorzitter van de Googerpolder waarin Roelofarendsveen is gelegen. Hij constateerde een sterke uitbreiding van het glasareaal in de betrekkelijk kleine polder en vroeg zich af of dit van invloed zou kunnen zijn op de bemalingscapaciteit van die polder. Het toenmalige districtskantoor van Heidemij in Alphen aan den Rijn werd om raad gevraagd. Zij speelden deze kwestie door naar de Dienst Voorbereiding West in Haarlem, die ermee aan de slag ging. Daar werd geconstateerd dat kassencomplexen inderdaad moesten worden vergeleken met stedelijk gebied. De tot dan toe gehanteerde afwateringsnormen voor landelijk gebied konden dus niet langer worden gebruikt voor het dimensioneren van sloten en gemalen in gebieden met kassencomplexen. De afvoernormen voor deze kassencomplexen dienden gerelateerd te worden aan de afvoernormen van verhard oppervlak in stedelijke gebieden. Hierdoor kwam er een heel ander plaatje tevoorschijn van het afwateringsstelsel van een polder, die deels met kassen was bebouwd: het vinden van een juist evenwicht tussen de bemalingscapaciteit en de oppervlakte openwater voor het tijdelijk bergen van neerslag. Hoewel deze benadering van het Googerpolder-probleem in eerste instantie op hoongelach van de uitvoeringsmedewerkers van Heidemij en van de subsidiërende Cultuurtechnische Dienst stuitten, werden deze lieden met behulp van de Centrale Dienst Voorbereiding van Heidemij in Arnhem, in de persoon van dr. ir. A.W. de Jager, toch tot inkeer gebracht. Het nieuwe waterbeheersingsplan voor de Googerpolder werd met de nieuwe normen op papier gezet.

     

    Omstreeks diezelfde tijd speelde aan de zuidgrens van Den Haag de druk op het Westland voor woningbouw. Kassen moesten verdwijnen voor huizen en voor de uitgekochte tuinders dienden vervangende bedrijven te worden aangeboden. In een eerder stadium was in dit kader door Heidemij Uitvoering het complex Kerketuinen aangelegd. Dit moest op zijn beurt ook wijken voor uitbreidingsplannen van Den Haag. Ter vervanging hiervan werd het plan Madestein volgens de “laatste mode” in de steigers gezet: gescheiden wateraan- en afvoersysteem, rekening houdend met snelle afvoer van regenwater. Bovendien wensten de toekomstige tuinders, mede op aandringen van het Proefstation voor de tuinbouw onder glas uit Naaldwijk, dat de gronden waarop de kassen gebouwd gingen worden, uit steriel zand zouden bestaan. De plannen hiervoor werden in nauw overleg met onder andere het Hoogheemraadschap van Delfland opgezet: een grote vijver voor berging van hemelwater, waaruit door middel van gesloten leidingen de bedrijven werden voorzien van sproeiwater. Via een apart slootjesnet werd het drainwater, dat was vervuild met meststoffen en andere zaken, die men niet in het sproeiwater wenste, afgevoerd. De gewenste steriele grond werd zeven meter diep, in den droge uit de ondergrond gehaald. Heidemij Uitvoering, district Zuid-Holland-Noord uit Alphen aan den Rijn, ging dit werk in regie uitvoeren en hield er een aardige duit aan over. Inmiddels is Madestein al lang weer ten offer gevallen aan de woningbouw van de gemeente Den Haag.

       

    Naast verschillende glastuinbouwcomplexen, die na die tijd volgens het bovengenoemde Googerpolder-concept in Zuid-Holland werden opgezet en uitgevoerd, kwamen ook diverse, aan de tuinbouw gelieerde projecten richting Heidemij. Dit was vooral te danken aan de acquisitie, die Jan Houterman jarenlang pleegde bij de gemeenten en de veilingen in het Westland. Daardoor nam de Heidemij bijvoorbeeld in 1967 zitting in de bouwcommissie, die tot taak kreeg een nieuw veilingcomplex te realiseren op een 20 ha groot terrein in de Dijkpolder in Poeldijk onder de naam Veiling Westland-Noord. Door fusie van vier bestaande veilingen (Honselersdijk, Loosduinen, Wateringen en Poeldijk) en vanwege het feit dat in die tijd bij het vervoer van tuinbouwproducten steeds meer werd overgegaan van varen op rijden, was deze nieuwe veiling noodzakelijk. De Dienst Voorbereiding West van Heidemij, toen nog in Haarlem, verzorgde in korte tijd de plannen voor alle werkzaamheden, behalve voor de bouw van de hallen. Aan het ophogen van het drassige terrein met 100.000 m3 zand, het aanbrengen van de drainage en 11 km riolering daarin, het aanbrengen van 20 ha verharding en het opzetten van een voldoende groot afwateringssysteem (20 ha verhard oppervlak!) vergden heel wat onderzoek, berekeningen en overleg. En dat alles binnen een jaar, want in het voorjaar van 1968 waren de aanbestedingen en op 2 januari 1970 werd onder enorme belangstelling de eerste veiling gehouden.

    Omdat de nieuwe veiling niet meer per boot bereikbaar was, dienden vanuit diverse richtingen toegangswegen, dikwijls door het bestaande kassengebied, naar de nieuwe veiling te worden gerealiseerd.  In samenwerking met de Provinciale Waterstaat, die aan de verwezenlijking van die wegen een grote financiële bijdrage uit de toen rijk gevulde pot van het zogenaamde Wegenfonds bijdroeg, kwamen de plannen tot stand. Heidemij Uitvoering zorgde, omwille van de haast, voor de realisering in regie.

     

    Een ander onderwerp waar Heidemij via de glastuinbouw bij betrokken raakte was het vinden van een oplossing voor de afvoer en de verwerking van de jaarlijks in het Westland geproduceerde 50.000 ton tuinafval. Wederom door de relaties, die Jan Houterman in het Westland opbouwde, werd de Dienst Voorbereiding West verzocht om zitting te nemen in de Werkgroep Verwerking Tuinafval. Deze moest onderzoeken op welke wijze het tuinafval kon worden gecomposteerd op een in 1978 aangekocht terrein ten westen van het Oranjekanaal in Hoek van Holland. De werkgroep, ingesteld door de in 1975 in het leven geroepen Stichting Verwerken Tuinafval Westland, bestond uit vertegenwoordigers van het Proefstation voor tuinbouw onder glas, de Provinciale Waterstaat, de Dienst Gemeentewerken ’s-Gravenzande, de Inspectie van de Volksgezondheid, Heidemij en diverse ad hoc deelnemers. Heidemij bracht een rapport uit over de bevindingen van de werkgroep en kreeg op basis daarvan opdracht om plannen en bestekken te maken voor de inrichting van een 20 ha groot open composteringsbedrijf en de nodige nieuwe en te reconstrueren toegangswegen.  Na een investering van bijna f 16.000.000,- kon in 1986 het bedrijf, onder de naam Composteringsbedrijf Zuid-Holland, worden geopend.

     

    In de jaren zeventig van de vorige eeuw werden, naast de bovengenoemde activiteiten, door Heidemij diverse pogingen ondernomen om betrokken te raken bij de ontwikkeling van glastuinbouw op verschillende plaatsen in West-Nederland, onder andere op Walcheren en in het gebied van de Noord-Hollandse Stivas (STIchting Verbetering Agrarische Structuur). Echter zonder noemenswaardig resultaat.

    Daarin kwam pas verandering toen Heidemij Uitvoering in 1990 in de persoon van Piet van Suijdam een start maakte met planontwikkeling; een methode waarbij Heidemij zelf gronden aankocht “glasrijp” maakte en aan individuele tuinders doorverkocht die er vervolgens hun kassen op bouwden. Heidemij Adviesbureau werd daarbij door Uitvoering gevraagd voor het nodige engineeringswerk, zoals de kavelinrichting, het waterhuishoudingsplan en een oplossing bieden aan de planologische vraagstukken.

     

    Regio West kantoor Hoofddorp gaf enthousiast invulling aan deze planontwikkeling waarbij Uitvoering en Adviesbureau elkaar steeds handig de bal konden toespelen, zoals wanneer Adviesbureau werd gevraagd om invulling te geven aan projecten die werden gerealiseerd in het kader van de RROG regeling (ReconstructieRegeling Oude Glastuinbouwgebieden); een soort specifieke landinrichtingsmaatregel voor glastuinbouw. Voorbeelden van projecten die zijn opgestart als RROG-projecten zijn Nootdorp: “Noukoop” en Rijnsburg: “Floris V”. Adviesbureau kon vervolgens Uitvoering in stelling brengen om de voorgestelde maatregelen te realiseren wanneer er sprake was van risicodragend investeren. Hiervoor werd de kavelprijsgarantie methode geïntroduceerd, die later in ons werk voor de diverse Floriades ook met succes is toegepast. Hierbij werd afgesproken dat het glasrijp maken van een bepaald stuk grond met een bepaalde kwaliteit en binnen een bepaalde termijn nooit meer dan een vooraf bepaald maximum bedrag kon gaan bedragen. Werd het uiteindelijke bedrag hoger dan had Heidemij pech, werd het uiteindelijke realisatiebedrag lager dan had Heidemij geluk. Mede dankzij een hoop inventiviteit en een grote orderportefeuille draaide de glastuinbouwtent uitstekend.

     

    Aan de andere kant verwierf Heidemij voor Uitvoering gronden voor planontwikkeling in de glastuinbouw, waarna Uitvoering vervolgens Adviesbureau in positie kon spelen. Het eerste project dat op deze manier werd gerealiseerd was het project “Nieuw Amstel” bij Nieuwveen in de huidige gemeente Nieuwkoop. Ook nu lag het accent voornamelijk op Zuid-Holland, maar al gauw kon Heidemij zijn vleugels over het hele land uitslaan. Voorbeelden zijn onder andere “Luttelgeest” in de gemeente Noordoostpolder, “Grootslag” in Noord-Holland en “Siberië” in Maasbree.

     

    De betrokkenheid en opgebouwde kennis vanuit planontwikkeling zorgde er ook voor dat Adviesbureau steeds meer beleidsmatig werk kon verwerven. Zo werd Stivas uiteindelijk een grote opdrachtgever voor kantoor Hoofddorp met diverse beleidsstudies binnen het thema (glas)tuinbouw, zoals onder andere voor de ontwikkeling van de glastuinbouw in de Haarlemmermeer (Rijsenhout, waaruit uiteindelijk het glastuinbouwgebied “Primavera” is voortgekomen), de tuinbouw in het Heemskerkerduin en de tuinbouw in het Altongebied (Heerhugowaard). Ook andere provincies zagen deze ontwikkeling en vroegen de kennis en ervaring van Adviesbureau in voor dergelijke studies (zoals “Verkassen” en “Aar en Veenstreek” voor de provincie Zuid-Holland en advies voor de fruitteelt in Zeeland en in de Betuwe). Met onze naam in deze sector lukte het ook om studies voor de diverse bloemenveilingen uit te voeren (Rijnsburg, Aalsmeer, Vleuten, Nieuw Amsterdam).

     

    Met de beursgang van de inmiddels tot Arcadis omgedoopte Heidemij eind jaren negentig kwam er resoluut een einde aan de planontwikkeling, omdat het risicoprofiel van dit soort werk niet viel te combineren met het aandeelhoudersbelang. Alleen de af te bouwen projecten “Nieuw Amstel”, “Grootslag” en “Floris V” hebben nog langer doorgelopen, waarbij de allerlaatste belangen in 2013 zijn afgestoten (beëindiging “Floris V”). Daarmee was een eind gekomen aan een halve eeuw van innige samenwerking tussen Heidemij Uitvoering en Heidemij Advies bij de goed renderende realisatie van (glas)tuinbouwprojecten.

     

    Hoofddorp, september & oktober 2015.

    Rinus van Langeraad & Niek Reichart

    Er zijn nog geen reacties.
  • Open de map Auteur Rinus van Langeraad

    Een momentje...

    Rinus van Langeraad werd in 1938 als boerenzoon geboren in Oosterland op Schouwen-Duiveland. Na de openbare lagere school en de hbs-B opleiding werd hij, met enige tussentijd, in 1961 toegelaten tot de Hogere Bosbouw en Cultuurtechnische School van de Nederlandsche Heidemaatschappij, toen nog in park Sonsbeek in Arnhem. In 1965 behaalde hij het diploma Cultuurtechniek en bij de uitreiking daarvan werd hem tevens door het bestuur van de KNHM de C. Smits-prijs toegekend (oorkonde + f 250,-).

    Vier dagen na zijn diplomering trad Rinus aan bij de Dienst Voorbereiding West van de KNHM in de Kenaustraat in Haarlem. Dit was het ingenieursbureau van de KNHM voor de regio West (Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland en Utrecht). Na een opleiding van ongeveer een jaar startte Rinus als beginnend projectleider Zuid-Holland-Noord (Zuid-Holland boven de grote rivieren). Hij hield zich bezig met de voorbereiding van projecten op het gebied van de waterbeheersing, de glastuinbouw, de zandwinning en vooral met de aanleg en reconstructie van kwartaire en tertiaire wegen. Dit laatste vanwege het feit dat in die tijd veel subsidiegeld beschikbaar was voor de realisering van dit soort wegen.

    In 1969 werd Rinus tevens aangesteld als hoofd van de afdeling Bodemkunde en Waterhuishouding, later Grond en Water. De afdeling startte met 13 medewerkers en toen Rinus in 1981 de leiding overdroeg waren dat er 35.

    Van 1981 tot 1993 was Rinus bedrijfsleider van de vestiging in Haarlem, vanaf 1985 in Hoofddorp. Het zorgen voor een optimale werkomgeving voor de tussen de 100 en 150 medewerkers. Personeelszaken, huisvesting, leiden van het bedrijfsbureau, rechterhand van het hoofd van de vestiging waren een aantal van de op hem rustende taken. Dieptepunt in dit deel van de loopbaan was het terugbrengen van het personeelsbestand van 150 naar 100 binnen het kader van de sterfhuisconstructie in 1982. Samen met het hoofd van de vestiging en de personeelsconsulent moest deze klus, ondanks dat de vestiging goed rendeerde, binnen een week plaats vinden.

    In 1993 moest Rinus om gezondheidsredenen een stap terug doen. Hij werd toen organisatiemedewerker met een 8-urige werkdag en mocht de taken die hij als bedrijfsleider het leukst vond, blijven uitoefenen. Tot zijn pensionering in 1998.

    Naast de reguliere werkzaamheden zette Rinus zich in als bestuurslid van de Personeelsvereniging. In 1966 en in 1980 was hij lid van het driemanschap dat de Landdagen voor alle Heidemij-personeelsverenigingen organiseerde, respectievelijk in Hilversum en in Leiden (Ericom 80). Ook voor het grote feest ter gelegenheid van de oprichting van Heidemij Nederland in het Nederlands Congresgebouw in Den Haag in 1972 was hij lid van het drie man tellende organisatiecomité. In 1982 was hij lid van de zogenaamde Structuurcommissie, die na de reorganisatie van dat jaar spontaan door een aantal medewerkers in het leven werd geroepen onder het motto: “Dit nooit meer!”. Uiteindelijk mondde de commissie uit in de Stichting Lovinklaan.  Tot slot zij nog vermeld dat Rinus van 1978 tot en met 1982 gecommitteerde was bij de eindexamens van de Middelbare Bosbouw en Cultuurtechnische School, toen al in het Velpse Larenstein.   

    Sinds zijn pensionering werkt Rinus een dag per week als vrijwilliger bij het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag en schrijft hij artikeltjes voor diverse periodieken. Daarnaast is Rinus correspondent van het Gemeentearchief Schouwen-Duiveland en actief lid van de Zeeuwse Dialectvereniging.

    Er zijn nog geen reacties.
  • Open de map Auteur Niek Reichart

    Een momentje...

    Niek Reichart (Amstelveen, 1966) heeft na zijn buitenlandse jeugd (Zuid Afrika en Australië) uiteindelijk zijn middelbare school en universitaire opleiding (Wageningen) in Nederland gevolgd. In maart 1990 startte hij als één van de eerste academici bij Heidemij Adviesbureau in Hoofddorp. Zijn opleiding (rurale planologie) kwam prima van pas in de ruimtelijke ordeningsvraagstukken in de Regio West (Noord- en Zuid-Holland, Flevoland en Zeeland). In eerste instantie was de focus van Niek vol gericht op glastuinbouwprojecten vanuit zijn rol binnen het planontwikkelingsconcept zoals dat door Uitvoering en Adviesbureau samen werd ingevuld.

    Na diverse lijnfuncties (Hoofd Adviesgroep, vestigingsmanager, teamleider) richt hij zich op dit moment binnen het huidige Arcadis vanuit kantoor Amsterdam vooral op projectmanagerment van waterveiligheidsprojecten, zoals het project Zwakke Schakels Noord-Holland (kustversterking tussen Camperduin en Petten). Hij stuurt daarbij ook operationeel de projectmanagers binnen de adviesgroep ‘Deltasystemen en Waterveiligheid’ aan. Niek is daarnaast als vrijwilliger secretaris van de afdeling Zuid-Holland van de Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij.

    Er zijn nog geen reacties.
Overlay sluiten

Download link

0 bestanden: 
Cookie-instellingen